Democratische dilemma's deel 2: Critici van de democratie

door Henry Sturman

Democratische dilemma's (2005): deel 1 deel 2 deel 3

Er wordt vaak geklaagd over het feit dat niet alles in de politiek er even democratisch aan toe gaat. Is dat erg? Volgens politiek analist Fareed Zakaria niet. Zijn kritische boek over de democratie, "De toekomst van vrijheid - De paradoxen en schaduwzijden van democratie" werd in Amerika een bestseller. Zakaria kwam afgelopen mei ook uitgebreid aan bod in een tweedelige documentaire over democratie in het VPRO-programma Tegenlicht.

De ideeën van Zakaria over democratie zijn gebaseerd op twee hoofdthema's. Het ene thema is dat het een misverstand is om te denken dat democratie automatisch leidt tot een aantal zaken die we met democratie associëren, zoals bescherming van individuele rechten, onafhankelijke rechtsspraak, vrijheid van religie, vrijheid van meningsuiting en vrijheid in het algemeen. Er zijn landen die wel democratisch zijn maar die toch geen liberale rechtsstaat zijn, zoals Rusland. Aan de andere kant was bijvoorbeeld Hong Kong voor de overname door China geen democratie, maar wel een van de meest liberale rechtsstaten ter wereld. Er bestaan dus onvrije democratieën en relatief vrije oligarchieën. In het westen is het ook niet optimaal gesteld met de vrijheid, terwijl we wel democratisch zijn.

Het andere thema van Zakaria is dat teveel democratie juist slecht kan zijn. Hij vindt het goed dat we eens in de zoveel jaar naar de stembus gaan om onze politieke vertegenwoordigers te kiezen, maar vindt dat we ze vervolgens met rust moeten laten om naar eigen goeddunken te regeren, zonder steeds opnieuw rekening te moeten houden met de wensen en grillen van de kiezer. Een samenhangend beleid vergt mensen die zich specialiseren in politiek en de tijd hebben zich te verdiepen in alle lastige afwegingen. Het inzicht van de kiezer is niet altijd beter.

Ironische genoeg pleit Zakaria in tegenstelling tot Fortuyn juist vóór achterkamertjespolitiek. Hij denkt dat beleidscommissies betere beslissingen maken tijdens gesloten debatten, vrij van de druk van kiezers en lobbyisten. Eigenlijk is die zienswijze van Zakaria heel logisch. Een kloof tussen burger en politiek is namelijk juist de bedoeling van de parlementaire democratie. Wie vindt dat politici continu precies moeten doen wat de kiezer wil, moet voor directe democratie via referenda pleiten.

Volgens Zakaria wordt de ontevredenheid van de kiezer over de democratie in bijvoorbeeld Californië paradoxaal genoeg veroorzaakt door het toenemen van de democratie. Zo is de kiezer boos over het feit dat de politiek het financieringstekort enorm liet oplopen. Maar dat werd juist veroorzaakt doordat kiezers meestal vóór stemmen als er een referendum is over belastingverlaging, terwijl ze ook vóór stemmen als er een referendum is over het verhogen van de uitgaven voor allerlei 'mooie' doelen. Volgens Zakaria kan alleen een gekozen politicus een samenhangend plan maken waarin een zo goed mogelijke afweging wordt gemaakt tussen uitgaven en inkomsten, terwijl de kiezer per referendum alleen maar opportunistisch kan stemmen, met een desastreus resultaat. Omdat er steeds meer mis gaat in de politiek, krijgt de kiezer het gevoel dat politici niet voldoende naar het volk luisteren. Maar de paradox is dat het probleem misschien juist het omgekeerde is: teveel invloed van de kiezer.

Daarnaast zijn referenda in zekere zin juist niet democratisch. Belangengroepen hebben er veel invloed op omdat het veel geld kost om een referendum op het stembiljet te krijgen (het verzamelen van de benodigde 600 duizend handtekeningen kan vrijwel alleen met behulp van professionele handtekeningenverzamelaars) en omdat de uitslag vervolgens mede beïnvloed wordt door welke groep het meeste geld heeft om campagne te voeren. In de eerder genoemde VPRO-documentaire werd dit mooi geïllustreerd door een journalist die vertelde over een typische eerste conversatie tussen een cliënt die een referendum wil laten organiseren en een daarin gespecialiseerde advocaat. Advocaat: "Ten eerste moet ik u de 'million dollar question' ['hamvraag'] stellen." Cliënt: "Hoe luidt die vraag?" Advocaat: "Heef u een miljoen dollar?"


Waar Zakaria democratie, hoewel het niet zo mooi is als we denken, in wezen een goed streven vindt, vindt de Duits-Amerikaanse econoom Hans-Hermann Hoppe dat de democratie maar het beste helemaal kan worden afgeschaft. Volgens Hoppe is democratie een slecht en verderfelijk systeem dat heeft geleid tot korte termijndenken, verkwisting van kapitaal, onverantwoordelijkheid, moreel relativisme, egalitarisme, parasitisme, een enorme achteruitgang van normen en waarden en een enorme beknotting van de individuele vrijheid. Hoppe denkt dat de democratie net als het communisme gedoemd is om in elkaar te storten.

Het openstellen van de macht aan iedereen heeft ertoe geleid dat iedereen zichzelf het eigendom van anderen probeert toe te eigenen. De verzorgingsstaat en de subsidie-industrie kun je zien als een vorm van gelegaliseerde roof. De democratie stelt A en B toe om C te plunderen. Vervolgens kunnen B en C samen A beroven, et cetera. Democratie staat dus gelijk aan kleptocratie. Hoppe's conclusie: "Dit is geen rechtvaardigheid maar een morele schande, en in plaats van democratie en democraten met respect te behandelen zouden zij met publieke afkeer geconfronteerd moeten worden en geridiculiseerd als morele bedriegers."

Hoppe stelt niet voor om democratie dan maar te vervangen door dictatuur. Het alternatief dat Hoppe voorstelt is het libertarisme, een radicale vorm van klassiek-liberalisme dat uitgaat van de volledige vrijheid van het individu. Volgens Hoppe kan die vrijheid zelfs zover gaan dat er helemaal geen overheid, en dus ook geen democratie, meer nodig is. Zolang de staat niet wordt afgeschaft pleit Hoppe voor het recht op afscheiding. Volgens hem zal de individuele vrijheid veel minder beknot worden door kleine lokale overheden die dicht bij de mensen staan. Bovendien kunnen mensen dan makkelijker gaan verhuizen naar een plek waar de overheid hen meer bevalt. Als voorbeelden noemt hij het Europa tussen de twaalfde en de zeventiende eeuw, dat uit honderden onafhankelijke stadstaten bestond, en moderne ministaten als Singapore, Monaco en Liechtenstein. Overigens vond ook biermagnaat Freddy Heineken dat landen niet te groot moesten zijn. In zijn pamflet 'Eurotopia' stelde hij voor Europa (Rusland niet meegerekend) in 75 kleinere landen op te splitsen.

De democratie heeft het korte termijndenken gestimuleerd, omdat politici ook alleen maar vooruit kijken tot de volgende verkiezing. Vandaar ook dat er altijd zo'n groot financieringstekort is. Het feit dat we nu meer betalen aan de opgebouwde staatsschuld uit het verleden dan aan onderwijs, komt omdat de vorige generatie politici 'cadeautjes' voor de kiezer op de pof kochten zodat de burger blij was en zij herkozen zouden worden. Politici hebben misschien wel een vooruitziende blik, maar ze zullen er wijselijk geen gebruik van maken.

Onderdanen van een ouderwetse koning zullen zich in het algemeen veel meer verzetten tegen onderdrukking dan de onderdanen van een democratie. Bovendien zal een welwillende monarch nog behoedzaam regeren, terwijl een democratisch politicus arroganter is en denkt dat alles wat hij doet goed is omdat hij het mandaat van de kiezer heeft. Nederlanders begonnen de 80-jarige oorlog nadat Alva een belasting van 10 procent invoerde, hetgeen als een bewijs van tirannie werd gezien. Tegenwoordig is het vaderlandse vrijheidsideaal vervangen door de slavenmoraal van de democratie. Nu is er een overheid die de helft van ons inkomen in beslag neemt, en via duizenden wetten en regels een macht over ons doen en laten heeft waar een Spaanse koning slechts van kon dromen. Maar men accepteert het omdat we in een democratie leven. Democraten onderdrukken elkaar in plaats van dat ze door een koning onderdrukt worden, en daarom ervaren ze het niet als onderdrukking. De stembus is de vuilnisemmer van onze vrijheid.


Wat is de rechtvaardiging voor democratie eigenlijk? Die is er niet. Democratie is net als religie: een kwestie van blind vertrouwen. De meeste beroemde politieke denkers hadden niets dan verachting voor democratie en dachten dat het alleen maar tot despotisme kon leiden. De weinige bekende politieke filosofen (zoals Rousseau) die (beperkt) voorstander van democratie waren, hebben nooit een serieus argument voor democratie aangedragen. Vrijwel alle verdedigingen van democratie gaan uit van mystieke, en dus verkeerde, ideeën over wat democratie is. Men geeft doorgaans vage omschrijvingen van democratie zoals "het volk regeert" en "politieke vrijheid". Men gaat daarbij voorbij aan het wezenlijke kenmerk van democratie, namelijk dat de meerderheid zijn wil mag opleggen aan de minderheid. Daar is geen enkele plausibele rechtvaardiging voor mogelijk. Het idee dat de meerderheid over de minderheid mag beschikken is namelijk in strijd met het algemeen geaccepteerde idee dat ieder mens bepaalde fundamentele rechten heeft. Hoewel men het er niet over eens is wat die rechten precies zijn, is men het er wel over eens dat een individu bepaalde fundamentele rechten heeft. Het idee dat de meerderheid het recht heeft te beslissen wat de minderheid wel of niet mag doen is in strijd met het idee dat het individu rechten heeft.

In een democratie bezit je geen echte rechten. Ieder recht kan immers op elk moment worden ingetrokken als de meerderheid daarvoor kiest. Je bezit alleen privileges die je van de meerderheid krijgt, en geen rechten die door niemand mogen worden aangetast. Je kunt niet tegelijkertijd voor democratie en voor vrijheid zijn. Of je vindt dat elke meerderheid het recht heeft om naar eigen inzicht via wetten, verboden en verplichtingen, te beschikken over het leven en eigendom van elke minderheid, of je vindt dat elk individu het recht heeft om met zijn leven en eigendom te doen wat hij wil.

Het hoofdonderwerp van alle politieke filosofen is de vraag wat het meest rechtvaardige politieke beleid is. Is dat het liberalisme, het conservatisme het socialisme of iets anders? Democratie wordt door bijna geen enkele serieuze denker beschouwd als een moreel systeem op zich. Het is hoogstens een middel om een rechtvaardig resultaat te bereiken. Zo zal een echte liberaal een land waar een dictator een liberaal beleid voert rechtvaardiger vinden dan een democratisch land waar de meerderheid het socialisme heeft ingevoerd. En omgekeerd zal een echte socialist een socialistische dictatuur rechtvaardiger vinden dan een liberale democratie.

De politieke filosoof Robert Nozick vergeleek democratie met slavernij. Zijn voorbeeld komt kort samengevat op het volgende neer. Stel er is een slavenmeester die u en 10 duizend andere slaven dwingt voor hem te werken. Stel nu dat de slavenmeester alle slaven vrij laat om zelf een baan te kiezen, maar ze moeten de slavenmeester wel 50 procent belasting betalen over hun inkomen. Stel vervolgens dat de slavenmeester alle slaven, behalve u, laat stemmen over zaken als hoeveel belasting de slaven moeten betalen, waar de belastingen aan besteed worden en welke activiteiten aan de slaven verboden zijn. In plaats van één slavenmeester heeft u nu 10 duizend slavenmeesters. Stel nu dat alleen in die gevallen waar alle andere slaven er niet uitkomen, omdat precies 5000 slaven het een willen en 5000 slaven het andere, u de uitkomst mag bepalen. Nozick's vraag: op wel punt verandert uw situatie zodanig dat u geen slaaf meer bent? Merk op dat ook in onze democratie uw stem vrijwel nooit de uitslag beïnvloedt. Uw stem zorgt er alleen voor dat een partij een zetel meer in het parlement krijgt als ze zonder uw stem toevallig net een stem van de drempel voor de volgende zetel afzitten. Die kans is ongeveer 1 op 60 duizend. De kans dat de partij waar u op stemt door uw stem in de coalitie komt, is nog veel kleiner (waarschijnlijk ongeveer even groot als de kans dat u onderweg naar het stembureau een dodelijk ongeluk krijgt).


In Nederland bestond er in de negentiende eeuw het censuskiesrecht, hetgeen inhield dat alleen mannen die minimaal een bepaalde hoeveelheid belasting betaalden mochten stemmen. Dat was ongeveer tien procent van de bevolking. Pas in 1919 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd, wat heeft geleid tot graaicultuur van de verzorgingsstaat.

Zo gek was het idee dat alleen belastingbetalers mogen stemmen nog niet. Uitkeringstrekkers die zelf mee mogen beslissen over hoeveel geld ze van de belastingbetaler mogen afpakken is net zoiets als een dief die rechter is in zijn eigen rechtszaak. Ook Herman Heinsbroek pleitte onlangs voor het afschaffen van het stemrecht voor mensen met een uitkering (HP/De Tijd, 2 juli 2004).

Het feit dat vroeger slechts een minderheid regeerde was ook nog niet zo gek. Het idee dat de meerderheid het beste is staat goede beslissingen te maken is immers een waanidee. Doorgaans is een minderheid daar veel beter toe in staat. Als u ziek bent, wie kan dan het beste besluiten wat de beste behandeling is? De minderheid van artsen, of de meerderheid van de Nederlanders? En wie kan beter beslissen welke wetenschappelijke theorie de beste is? De minderheid van Nobelprijswinnaars? Of de meerderheid van de wereldbevolking? Wie kan beter de nieuwe Oranje-coach bepalen, Johan Cruijff of een democratie onder alle Nederlanders?

Ook voor politieke beslissingen ligt het voor de hand dat een minderheid van de bevolking met de hoogste IQ, de hoogste opleiding en de meeste kennis dat beter kan dan de meerderheid van de bevolking. Het zou dus veel beter zijn alleen die mensen stemrecht te geven. Vindt u het echt een goed idee om beslissingen over uw leven in handen te geven van de gemiddelde Nederlander, die een IQ van 100 heeft (MAVO-niveau)? Het feit dat de gemiddelde politicus een stuk intelligenter is doet daar niets aan af, omdat de zetelverdeling in de Tweede Kamer een afspiegeling is van de ideeën van de gemiddelde Nederlander. Als je mensen van MAVO-niveau laat stemmen, krijg je ook beleid van MAVO-niveau. Winston Churchill zei ooit dat een vijf minuten lange conversatie met de gemiddelde kiezer het beste argument tegen democratie is.

Je zou hier tegenin kunnen brengen dat het niet te rechtvaardigen valt dat de ene persoon wel stemrecht heeft en de andere niet, omdat er dan een situatie van ongelijke rechten ontstaat. Maar dat argument is gebaseerd op een misverstand over wat een recht is. Een recht is een juridische toestemming om een iets concreets te mogen doen, zoals het verbouwen van je huis of het mogen kiezen van een baan. De democratie is een methode om te bepalen welke rechten er moeten zijn. Maar het mogen bepalen welke rechten anderen hebben kan niet zelf ook een recht zijn.

Stikt genomen bestaat er niet zoiets als een "stemrecht". Ik heb er alleen recht op dat mijn fundamentele rechten niet worden aantast, maar ik heb geen er geen recht op te mogen meebeslissen over die rechten. Als ik niet een hokje rook mag maken in een stemhokje beperkt dat mij op geen enkele wijze. Die beperking treedt pas op als de mensen die wel mogen stemmen wetten invoeren die mij beperken.

Als ik wel mag stemmen, maar de democratisch gekozen regering kiest ervoor om bijvoorbeeld mijn vrijheid van meningsuiting te beperken, dan zijn mijn rechten geschonden. Maar als ik niet mag stemmen, maar de door anderen gekozen regering kiest ervoor om mij vrijheid van meningsuiting toe te staan, dan zijn mijn rechten op dat punt niet aangetast. Of mijn rechten wel of niet worden aangetast staat dus los van de vraag of ik wel of niet mag stemmen.

Stemrecht is eigenlijk eerder een onrecht dan een recht. Een recht betekent namelijk dat je vrij bent om zelf te beslissen over een aantal zaken die jou aangaan. Maar een stemrecht betekent dat jij mag meebeslissen over anderen, mag meedoen met het reguleren, beperken en belasten van anderen. Stemmen is dus een aantasting van de rechten van anderen, tenzij je op die partij stemt die de vrijheid van het individu zoveel mogelijk wil beschermen. Hoe minder mensen stemrecht hebben, hoe beter. Stemrecht is de moderne variant van brood en spelen. Maak mensen wijs dat vrijheid eruit bestaat een hokje rood te kleuren, en ze laten zich vier jaar als makke schapen reguleren, belasten en beperken. Gezien de verwaarloosbaar kleine invloed van één stem, is dat rood kleuren een zinloze actie. Dan liever brood en spelen.


Je zou kunnen pleiten voor democratie als pragmatisch middel waarvan je verwacht dat het de grootste kans geeft op een rechtvaardige samenleving. Maar dan is ook het precies dat: een middel en geen doel. Het idee dat de met dat middel genomen besluiten automatisch rechtvaardig zijn is eenvoudigweg een verwarring tussen middel en doel. Zo ook zullen we voor een voetbalwedstrijd de beste scheidsrechter willen kiezen, omdat de kans dan het grootste is dat er eerlijk wordt gefloten. Maar als die scheidsrechter dan toch onterecht een doelpunt afkeurt, dan zeggen we niet dat dat terecht is omdat de scheidsrechter dat nou eenmaal besloten heeft. Het kiezen van de beste scheidsrechter was alleen maar een middel om de kans op een goede uitkomst zo groot mogelijk te maken. Zo ook is binnen een democratie de rechtvaardigheid van de beslissingen onafhankelijk van het feit dat die beslissingen door de meerderheid gekozen zijn. Het zijn de beslissingen zelf die goed of slecht zijn, en het is niet de methode van beslissen die een beslissing goed maakt.

Met andere woorden: je kan de rechtvaardigheid van een samenleving nooit toetsen aan de hand van hoe democratisch de samenleving is. Er zit geen inherente rechtvaardigheid aan democratie zelf. Democratie is hoogstens een pragmatisch voorstel met de hoop op rechtvaardige resultaten. Maar omdat wij doorgaans democratie opvatten niet als de verwachting dat de meerderheid rechtvaardig gaat kiezen, maar als het recht van de meerderheid om te kiezen wat het wil, wordt de democratie daarmee een immoreel systeem. We kunnen het er misschien nooit in alle gevallen over eens worden wat rechtvaardig en wat onrechtvaardig is. Maar we kunnen ons er in ieder geval niet van afmaken door te zeggen: het is democratisch besloten, dus is het rechtvaardig. De daden van de democratie moeten op hun eigen merites beoordeeld worden. Ook Hitler is democratisch aan de macht gekomen, maar daaruit volgt niet dat zijn regime rechtvaardig was.


Misschien is democratie niets anders dan een gigantische plundermachine, waarbij de ene burger wordt uitgebuit ten koste van de ander. Het feit dat plunderaars en slachtoffers continu van plaats wisselen, en we ons soms in de rol van plunderaar bevinden (als we stemmen voor een belastingverhoging voor onze buurman en een subsidie voor onszelf) en soms in de rol van slachtoffer (als we zelf belasting betalen) doet daar niets aan af.

Het is beter om niet teveel te zeuren over of Nederland wel democratisch genoeg is, maar in plaats daarvan te streven naar fundamentele waarden als recht en vrijheid. Democratie en vrijheid zijn met elkaar in strijd. Vrijheid betekent dat u over uzelf beslist, terwijl democratie betekent dat de massa over u beslist. Dus: een vrije welvarende samenleving moet het doel zijn, niet zoveel mogelijk democratie.

Democratische dilemma's (2005): deel 1 deel 2 deel 3


Terug naar de homepage van Henry Sturman

Email: henry@sturman.net