Democratische dilemma's deel 1: Hoe democratisch is de democratie?

door Henry Sturman

Democratische dilemma's (2005): deel 1 deel 2 deel 3

Blijkens een artikel in Magazine M van NRC Handelsblad (februari 2001) leidde PvdA-fractieleider Ad Melkert zijn fractie met harde hand. Volgzaamheid, loyaliteit en rust waren het devies. Discussie over belangrijke zaken en afwijkende standpunten werden zoveel mogelijk de kop ingedrukt. De belangrijkste beslissingen werden genomen door Melkert in overleg met minister-president Kok, en de voornaamste functie van de 45 fractieleden was om braaf mee te stemmen met Melkert of met de regering. Wie zich daar niet aan schikte kwam de volgende keer niet op een verkiesbare plaats. Nieuwe Kamerleden werden via een wervingsadvertentie geselecteerd op basis van de eigenschappen aardig, sociaal en een gebrek aan uitgesproken meningen.

In een andere Magazine M (mei 2002) kwam een hele reeks hoogleraren politicologie aan het woord die stelden dat Nederland geen echte democratie is. Enkele van hun uitspraken: "De politiek is in Nederland naar de periferie verdwenen. De democratie als zodanig is er niet meer in te herkennen." (Ankersmit), "In Nederland hebben we een absolute regentenstand die niets te maken heeft met democratie in de directe democratische zin van het woord." (Frissen), "De democratie zoals wij die kennen heeft zijn langste tijd gehad. De politiek doet alsof het niet zo is, maar de belangrijkste besluiten worden genomen in organen die niet voldoen aan de regels van democratische besluitvorming." (Hajer), "De politieke partij is niet meer dan een netwerk van mensen die elkaar kennen en ondersteunen.Van democratie is geen sprake." (Tromp). Volgens een peiling van Maurice de Hond denkt 55 procent van de kiezers dat er in Nederland geen sprake is van een echte democratie (bron: De Stem van Nederland, 11 april 2004). Hoe democratisch is Nederland eigenlijk? En is volledige democratie mogelijk?


Hieronder volgen drie voorbeelden van ondemocratische elementen van ons politieke systeem.

Ten eerste is gebruikelijk dat Kamerleden zich bij hun stemgedrag houden aan de binnen hun fractie afgesproken standpunten (fractiediscipline). Ook worden fracties van regeringspartijen geacht met de regering mee te stemmen, zelfs als een meerderheid van een fractie het niet met het regeringsstandpunt eens is. Dat is niet democratisch en bovendien in strijd met artikel 67, lid 3 van de grondwet. Die luidt: "De leden stemmen zonder last." Het is dus de bedoeling dat Kamerleden naar eer en geweten stemmen, zonder gehinderd te worden door overige verplichtingen. Een land als de Verenigde Staten is in dat opzicht democratischer. Daar is geen regeringscoalitie of fractiediscipline. Daar staat tegenover dat de Verenigde Staten weer ondemocratischer zijn in de zin dat er maar twee partijen in het parlement zitten, zodat er minder verschillende meningen worden vertegenwoordigd.

Ten tweede wordt slechts een klein deel van het overheidsbestuur via verkiezingen benoemd. De minister-president, de ministers, de koningin, de commissaris van de koningin, de burgemeester en ontelbare andere bestuursfuncties worden niet via verkiezingen benoemd. Zelfs gemeenteraads- en Kamerleden worden niet direct door de kiezer geselecteerd, maar door sollicitatiecommissies van de partijen zelf. Ook de topambtenaren op de ministeries, die in feite veel meer bestuurlijke macht hebben dan het parlement, worden niet door de burger aangesteld. De Verenigde Staten zijn op dit gebied een goed voorbeeld van een rijke democratie. Op het Nederlandse stembiljet kun je maar één keuze invullen, maar op een typisch Amerikaans stembiljet kun je wel voor een stuk of twintig functies een keuze maken, variërend van president, congreslid, burgemeester en lokale rechter tot het lokaal onderwijsbestuur. En, anders dan in Nederland, kiest de kiezer tegelijkertijd met de president ook de uitvoerende macht. Elke nieuwe president mag namelijk alle duizenden topambtenaren vervangen door mensen van zijn eigen partij. In Nederland staat men op z'n kop als een minister een topambtenaar waar hij diametraal tegenover staat wil vervangen, zoals toen Bomhoff de PvdA'er Van Lieshout, directeur-generaal van Volksgezondheid, wilde ontslaan. Daarnaast zijn er allerlei ambtelijke adviescolleges en bestuursorganen die niet of nauwelijks door het parlement gecontroleerd worden, terwijl ze wel een enorme invloed en verregaande beslissingsbevoegdheid hebben. Ook zijn er in Nederland zo'n 3200 quango's (quasi autonome non-gouvernementele organisaties). Dat zijn zelfstandig geworden overheidsorganisaties die gefinancierd worden door de overheid, maar grotendeels buiten de democratische controle vallen.

Ten derde is het parlementaire systeem zelf niet volledig democratisch. Het meest democratische systeem is de directe democratie, waarbij kiezers zelf wetsvoorstellen kunnen doen en via referenda over alle wetsvoorstellen kunnen stemmen, zoals (gedeeltelijk) in Zwitserland.


Vaak hoor je de klacht dat politici niet voldoende naar de kiezer luisteren. Dat is een vreemde klacht, want het is een onvermijdelijk gevolg van de parlementaire democratie. Sterker nog, het is juist de bedoeling van de parlementaire democratie dat politici niet luisteren naar de kiezer. Als het de bedoeling was dat het beleid van het parlement een precieze afspiegeling was van wat de kiezer wil, dan had men immers geen parlement ingesteld maar directe democratie. Misschien dat directe democratie vroeger vanwege praktische redenen ondoenlijk was. Maar tegenwoordig, met computers en internet, zou het geen enkel probleem zijn om de kiezer wekelijks over alle wetsvoorstellen te laten stemmen. Ook is het mogelijk om iedere kiezer via internet zelf een wetsvoorstel te laten indienen, mits hij een minimum aantal elektronische ondersteuningen van andere kiezers weet te verzamelen.

De enig mogelijke reden dat we geen directe democratie hebben is dus dat de kiezer niet capabel genoeg wordt geacht om het beste beleid te kiezen. Het is dus juist de bedoeling dat politici, als ze eenmaal gekozen zijn, doen wat ze zelf het beste vinden in plaats van naar de wensen van de kiezer te luisteren, die immers niet capabel genoeg is om te weten welk beleid het beste is.

Maar er is een probleem: als mensen te dom zijn om over beleid te beslissen, hoe kan het dan dat ze wel slim genoeg zijn om hun leiders te kiezen? Volgens de econoom en politiek filosoof Murray Rothbard moet je juist veel slimmer zijn om je leiders te kiezen dan om over wetsvoorstellen te stemmen. Als je over een wetsvoorstel stemt hoef je immers alleen maar te weten welk beleid je goed vindt, maar als je een leider kiest moet je weten wie het beste in staat is te kiezen wat het beste beleid is. Om dat laatste te weten moet je én weten wat het beste beleid is én van alles weten over de mening, de persoonlijkheid en de betrouwbaarheid van alle politici. Om een goede leider te kiezen moet je dus veel meer weten dan als je alleen maar een goed beleid hoeft te kiezen. In een echte democratie heeft het parlement hoogstens de functie van het doen van wetsvoorstellen, en vervolgens stemt de burger over die wetsvoorstellen.

Een ander argument voor de parlementaire democratie is dat de kiezer niet voldoende weet om over allerlei details van het beleid te kunnen beslissen. Daarom zou het beter zijn dat hij die keuzes overlaat aan een politicus, die zich door kennis en ervaring gespecialiseerd heeft in het maken van beleidskeuzes, en die bovendien de tijd heeft en ervoor betaald wordt om zich fulltime te verdiepen in de politiek.

Het is maar de vraag of een Haagse schoolklas, die zich bezig houdt met ruzietjes, politieke spelletjes, het verzinnen van niet bestaande terrorismebrieven, enzovoort, echt zoveel wijzer is dan wij. Waarschijnlijk zouden de meesten van hen niet eens een shoarmatent kunnen runnen, laat staat een natie. Maar zelfs als dat wel zo zou zijn, dan nog klopt het argument niet. Bij directe democratie is er namelijk niemand die een kiezer ervan weerhoudt om steeds het stemadvies van een door hem geselecteerde professional te volgen, of een doorlopende stemmachtiging te geven aan een door hem aangewezen politicus.

In een directe democratie kan iedere kiezer zelf uitmaken of hij capabel genoeg is om over bepaalde wetsvoorstellen te stemmen, of dat hij dat aan een professional wil uitbesteden. Het is vreemd om in eerste instantie te zeggen dat je voor democratie bent, en dus het volk capabel genoeg vindt om te regeren, en vervolgens te zeggen dat je dat bij nader inzien toch niet vindt, en dat daarom iedereen verplicht moet worden zijn stem weg te geven aan een vertegenwoordiger. In een echte democratie moet je jezelf als je vertegenwoordiger mogen kiezen.


Maar hoe komt het toch dat de politici zo vaak andere dingen doen dan de meeste kiezers willen? Je zou verwachten dat politici ook in een parlementaire democratie doen wat de meeste kiezers willen, zodat zoveel mogelijk kiezers op hen blijven stemmen, en ze hun macht behouden. Toch werkt het niet zo. Het is niet altijd in het voordeel van politici om te doen wat de kiezer wil.

Een reden daarvoor is dat het tevreden houden van zoveel mogelijk kiezers niet altijd betekent dat een partij het beste kan doen wat de meerderheid van haar kiezers wil. Stel bijvoorbeeld dat 80 procent van de CDA-stemmers voor de doodstraf is. Het CDA zou dan toch kunnen besluiten dat ze beter tegen de doodstraf kunnen zijn, omdat ze verwachten dat ze met dat standpunt de kiezers die voor de doodstraf zijn waarschijnlijk niet naar een andere partij zullen wegjagen. Maar de 20 procent die tegen de doodstraf is zou weleens een veel principiëler standpunt kunnen hebben. Wellicht vinden zij dat het uitvoeren van de doodstraf tegen het vijfde gebod is. Misschien vinden zij dat zo belangrijk dat ze niet op een partij willen stemmen die voor de doodstraf is. Het CDA zou dus weleens veel meer kiezers kunnen wegjagen met een pro-doodstrafstandpunt dan met een anti-doodstrafstandpunt. En daarom kan het voor het CDA voordelig zijn om tegen de doodstraf te zijn, zelfs als de meerderheid van hun kiezers ervoor is.

Nog een reden waarom politici niet altijd doen wat de kiezer wil, is puur rekenkundig. De huidige regering wordt gevormd door het CDA, de VVD en D66. Samen vertegenwoordigen ze 52 procent van de kiezers. Stel dat 51 procent van alle CDA-stemmers voor het uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers is. Stel dat van de stemmers op alle overige partijen 0 procent voor is. Als partijen het standpunt overnemen dat de meeste van hun kiezers willen, dan zal het CDA, met 44 zetels, de enige partij zijn die voor het uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers is. Maar omdat zij de meerderheid vormen binnen de coalitie zou het kunnen dat zij hun standpunt weet door te drukken (hoewel dat natuurlijk nooit voor alle standpunten kan gelden, anders zaten de andere coalitiepartijen er voor spek en bonen bij). In dat geval zullen uitgeprocedeerde asielzoekers worden uitgezet, ondanks het feit dat slechts een minderheid van 15 procent (0,51 X 44/150=0,15) van alle kiezers daar voor is.

Ook als coalities worden afgeschaft blijft dit probleem bestaan, hoewel in mindere mate. Stel nu dat 51 procent van de stemmers op het CDA, de VVD en D66 (samen 78 zetels) voor het uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers is. En 0 procent van de stemmers op alle overige partijen. In dit geval zal het voorstel om uitgeprocedeerde asielzoekers te gaan uitzetten ook worden aangenomen, ondanks het feit dat slechts een minderheid van 27 procent (0,51 X 78/150=0,27) van de kiezers dat wil. Als het CDA, de VVD en D66 niet zouden regeren, zouden ze immers nog steeds de meerderheid van de stemmen in het parlement hebben.

Wie wil dat de politiek doet wat de kiezer wil moet voor directe democratie pleiten, en niet zeuren over het feit dat politici doen wat ze zelf goed vinden nadat we ze alle macht geven.


Hoewel Nederland democratischer gemaakt kan worden, zijn er verschillende redenen waarom volledige democratie niet mogelijk is. Die redenen zijn grotendeels inherent aan het bestaan van een overheidsbureaucratie, iets dat ook bij directe democratie zal blijven bestaan. Hieronder volgen een aantal van die redenen.


Op basis van een analyse van onder andere de Sociaal-Democratische Partij Duitsland (SPD) aan het begin van de twintigste eeuw formuleerde de socioloog Robert Michels de "IJzeren wet van de oligarchie". Het bleek dat die partij zeer hiërarchisch georganiseerd was, en in feite een oligarchie was, ondanks de zeer egalitaire en democratische idealen van de partij. Volgens Michels zijn bureaucratie en democratie inherent met elkaar in conflict. Bureaucratie vereist namelijk een hiërarchie, en een hiërarchie impliceert dat de mensen in de top meer macht hebben dan de mensen onderin. Dat is in strijd met het democratische principe van gelijke verdeling van macht. Hoe democratisch het overheidsbestuur ook gekozen wordt, een parlementslid, een medewerker op een ministerie en zelfs een gemeenteambtenaar die over een verkeersbord beslist heeft hebben nu eenmaal meer macht dan een gewone burger.


Nobelprijswinnaar in de economie Friedrich Hayek stelt dat economische planning en democratie niet goed samengaan, omdat het vrijwel onmogelijk is een meerderheid te vinden die voor een specifiek plan is. Wellicht heeft 10 procent van de kiezers of volksvertegenwoordigers een voorkeur voor plan A, 10 procent een voorkeur voor plan B, et cetera. Maar doorgaans heeft geen enkel plan de voorkeur van een meerderheid. Meestal zal de grootste van al die minderheden zijn plan weten door te drukken.

Een ander probleem is dat elk plan zoveel details kent dat het ondoenlijk is om democratisch tot een compromis te komen. Een vliegtuig is ook te complex om democratisch te ontwerpen. Vandaar dat zowel vliegtuigen als economische plannen altijd door een klein oligarchisch team ontworpen worden. In het algemeen geldt dat hoe meer macht de overheid zichzelf toeeigent over de economie, hoe minder democratisch de overheid is.

Idealistische politici die aan de macht komen wacht een desillusie. Ook de politici zijn niet meer dan een radertje in een stuurloze bureaucratische moloch. Volgens Gerrit Voerman, directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, is het parlement niet meer dan een stempelmachine. Hoogleraar politicologie Hans Daudt beschrijft het politieke proces als volgt: "Terwijl de politici het land ingaan om kiezers te trekken, wordt op alle departementen de laatste hand gelegd aan de dossiers die de formateur straks krijgt toegeschoven en waarin de beslissingen voorgekauwd worden over de vragen waar het in de komende vier jaar werkelijk om gaat." (Bron: M Magazine, mei 2002.)

Ook geldt dat hoe meer men wil reguleren, hoe minder goed het mogelijk is die regulering in algemene eenduidige wetten vast te leggen. Hoe meer regulering, hoe meer bevoegdheden uitvoeringsorganen moeten krijgen om te beslissen of specifieke gevallen wel of niet aan de wet voldoen. Daardoor wordt de uitvoering willekeurig en weten personen en bedrijven nooit zeker wat wel en niet mag, hetgeen in strijd is met het idee van een rechtsstaat.

Vandaar ook dat mensen die ooit te maken hebben gehad met organisaties als de opsporingsdienst van de Belastingdienst (FIOD-ECD), de Autoriteit Financiële Markten (AFM) of de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA) hun ervaring vaak als bijna totalitair omschrijven. De wettelijke opdracht aan de NMA is bijvoorbeeld zo vaag (het tegengaan van het 'verhinderen' van concurrentie) dat ze een vrijwel onbeperkte vrijbrief heeft om bedrijven lastig te vallen en boetes op te leggen. Lord Acton's stelling "macht corrumpeert, absolute macht corrumpeert absoluut" komt in onze democratie volledig tot zijn recht.


De economische 'Public Choice Theory' stelt dat de aard van het politieke proces ervoor zorgt dat een minderheid vaak zijn zin kan doordrijven, ook al is dat in strijd met de belangen van de meerderheid. Minderheden zullen vaak bereid zijn om er veel tijd, moeite en geld in te steken om subsidie of voor hen gunstige regulering bij de overheid los te peuteren. Bijvoorbeeld door het voeren van campagne, het lobbyen bij politici en het verkrijgen van functies binnen overheidsapparaten die invloed hebben op de regels voor hun bedrijfstak. Voorbeelden waarbij minderheden succesvol zijn geweest in het beperken van de concurrentie ten behoeve van het eigen inkomen zijn het notariskartel (zware opleidingseisen, beperking vestigingsvergunningen startende notarissen) en het artsenkartel (zware opleidingseisen, numerus fixus voor medicijnenstudie).

Hoewel minderheden met speciale privileges daar veel voordeel van hebben, ondervindt de individuele consument per kartel meestal maar weinig schade. Theatersubsidies zijn heel fijn voor theaters, maar aangezien de ervoor benodigde belastingen verdeeld worden over miljoenen mensen vallen de kosten per persoon mee. Daarom zullen burgers in het algemeen weinig moeite doen om speciale privileges voor minderheden tegen te houden. Wel is het zo dat al die duizenden speciale privileges opgeteld de burger een enorme schade berokkenen. Democratisch is dat niet.


Volgens Rothbard is het hele concept van een nationale democratie een contradictio in terminis. Want wie zegt dat de democratie moet worden toegepast op bijvoorbeeld het grondgebied van Nederland? Waarom moet niet heel Europa een democratische staat zijn, of de hele wereld? Als democratie het streven is, dan is het volstrekt willekeurig om het alleen op een bepaald gebied toe te passen. Dus is de enige logische conclusie dat het voor de mensheid als geheel moet gelden, en dus zou er een wereldregering moeten zijn.

Je zou democratie zo kunnen uitleggen dat ieder gebied zich mag afscheiden als een meerderheid in dat gebied daar voor is. Mocht de wereldregering Nederland niet bevallen, dan kan het zich dus afscheiden en weer een onafhankelijk land worden. Maar als Nederland zich van de wereld mag afscheiden als de meerderheid van de Nederlanders dat wil, dan moet ook bijvoorbeeld Friesland zich van Nederland kunnen afscheiden als de meerderheid van de Friezen dat wil. En dan moet ook een stad of een dorp zich mogen afscheiden als de meerderheid van de inwoners dat wil. En ook een wijk, straat, huis of individu.

Maar als zelfs een individu zich mag afscheiden dan is er geen sprake meer van democratie, maar van anarchie. Een (democratische) staat is namelijk een organisatie die zijn heerschappij oplegt aan iedereen binnen een bepaald gebied. Als het lidmaatschap van de staat vrijwillig is, dan is de staat geen staat meer maar een vrijwillige associatie. Kortom: nationale democratie is onmogelijk, want een echte democraat moet ofwel pleiten voor een wereldregering, ofwel voor het recht op afscheiding, hetgeen neerkomt op anarchie.


Hoewel meer democratie mogelijk is, is volledige democratie dus niet mogelijk. Je kunt je echter afvragen of het wel wenselijk is om te streven naar meer democratie. Een van de idealen van democratie is dat de burger meer controle heeft over zijn eigen leven. Maar de paradox is dat hoe meer dingen we onder democratische controle hebben gebracht, hoe meer de macht zich geconcentreerd heeft in de handen van enkelen. In de twintigste eeuw is de democratische overheid uitgegroeid van een bescheiden handhaver van de rechtsorde, met een belastingpercentage van 10 procent, tot een brutale allesbemoeier die over de helft van ons inkomen beslist. De overheid beslist over onze gezondheidszorg, ons onderwijs, onze huisvesting en onze sociale zekerheid en beïnvloedt bijna al ons dagelijks gedag via subsidies, accijnzen, verkeersboetes, verboden, verplichtingen, economische regulering, Postbus 51, enzovoort. Dat alles wordt bestuurd door een onzichtbare superbureaucratie, die onmogelijk democratisch te controleren valt.

De beste manier om de burger meer macht over zijn eigen leven te geven is niet te streven naar meer democratie, maar naar minder overheid.

Democratische dilemma's (2005): deel 1 deel 2 deel 3


Terug naar de homepage van Henry Sturman

Email: henry@sturman.net