door Henry R. Sturman
Democratie staat haaks op vrijheid: als de meeste stemmen gelden, krijgt niemand echt zijn zin. Het kan anders. Minder kiezers, minder overheid, minder democratie. Wie betaalt, bepaalt. |
Na elke verkiezing wordt een vers blik politici geopend die evenmin als hun voorgangers in staat blijken te zijn wachtlijsten in de zorg, files, criminaliteit, achterstandswijken, middelmatig onderwijs enzovoort op te lossen. Toch denken, volgens een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau, steeds meer burgers dat de oplossing ligt in ‘moedige, onvermoeibare en toegewijde leiders’ (hun aantal steeg tussen 2000 en 2004 van 33 naar 61 procent van de ondervraagden). Het vertrouwen van de burger in de overheid is op een dieptepunt aangeland (40 procent is tevreden over de overheid). Gek genoeg wordt er veel minder geklaagd over de dienstverlening op de vrije markt. Wachtrijen bij de supermarkt zijn geen groot probleem, computers en dvd-recorders worden steeds betaalbaarder en het boeken van een vakantie via internet is goedkoop, snel en efficiënt. Misschien had Ronald Reagan gelijk en is de overheid niet de oplossing maar het probleem.
De problemen zullen, zo wordt gehoopt, worden opgelost als we de democratie maar verbeteren: door een nieuw kiesstelsel in te voeren, door de kloof tussen burger en politiek te verkleinen en door de burger meer invloed te geven via bijvoorbeeld referenda. Maar misschien faalt de democratie juist doordat we te veel vertrouwen in de democratie hebben en te weinig in het individu. Om Reagan te parafraseren: misschien is democratie niet de oplossing maar het probleem. Het probleem is dat de democratie een fundamentele tegenstrijdigheid bevat: hoe meer macht voor de democratische overheid, hoe minder macht voor de burger. Hoewel het ideaal van de democratie is dat de burger de macht heeft, heeft de democratie er juist toe geleid dat de burger steeds meer macht over zijn eigen leven heeft moeten afstaan aan de overheid. Dat is de democratische paradox.
De woorden vrijheid en democratie worden vaak bijna als synoniemen gebruikt. Dat is misleidend, omdat het twee heel verschillende dingen zijn. Vrijheid verwijst naar bepaalde vrijheden van het individu, terwijl democratie verwijst naar een regeringssysteem op basis van een open debat, open participatie en het nemen van besluiten bij meerderheid van stemmen. Vanwaar deze verwarring? Kennelijk wordt het volk als een geheel gezien, dat net als een individu vrij kiest hoe het zichzelf bestuurt. Maar in tegenstelling tot een individu heeft een volk geen eenduidige wil, omdat het een verzameling is van verschillende individuele belangen. Het volk kan als geheel dus nooit een keuze maken, laat staan een vrije keuze. Maar het probleem is dat we het sprookje van democratie als vrijheid na ruim anderhalve eeuw democratie letterlijk zijn gaan nemen. We hebben de neiging om aan te nemen dat als er ergens democratie heerst, er dus vrijheid is. De democratie kan echter net zo makkelijk beslissen om de individuele vrijheid te beperken als om haar te beschermen.
Het vreemde is dat mensen, als twee dieven iemand beroven op straat, inzien dat het feit dat dit democratisch besloten is (twee zijn meer dan een) geen legitimatie is van de daad. Op dezelfde manier zou je onze democratie in het groot kunnen zien als een gigantische plundermachine, waarbij de ene burger wordt bestolen ten voordele van de ander. Het feit dat plunderaars en slachtoffers continu van plaats wisselen en dat mensen zich soms in de rol van plunderaar bevinden (als ze stemmen voor een belastingverhoging voor hun buurman en een subsidie voor henzelf) en soms in de rol van slachtoffer (als ze zelf belasting betalen voor de subsidie van een ander) doet daar weinig aan af. En het feit dat het op grotere schaal plaatsvindt, geeft het natuurlijk geen andere morele status dan het voorbeeld van de twee dieven. Het democratische ideaal is dat iedereen mag meebeslissen over iedereen, terwijl vrijheid betekent dat iedereen over zichzelf mag beslissen. De stembus is de vuilnisemmer van onze vrijheid.
Een paradox is dat de meeste mensen de democratie aan de ene kant als heilig zien, maar er aan de andere kant toch niet echt in geloven. We vinden het heel normaal dat mensen protesteren tegen overheidsbeleid dat ze oneerlijk vinden. En we vinden het ook heel normaal om over politiek te praten in termen van wat rechtvaardig is. Als we echt in democratie zouden geloven, zouden we niet de moeite nemen onze mening te rechtvaardigen met normen en waarden anders dan de democratische norm dat het rechtvaardig is dat de meerderheid haar zin krijgt. Een echte democraat zou moeten vinden dat de meerderheid het recht heeft om de minderheid uit te moorden. Gelukkig zijn we geen echte democraten.
Doorgaans wordt democratie gelijkgesteld met idealen als vrijheid, gelijke rechten, zelfbestuur, het mogen kiezen van je leiders en het verdedigen van de rechten van minderheden. Is dat terecht? Laten we deze zaken een voor een langslopen.
Is democratie gelijk aan vrijheid? Zoals genoemd kan de meerderheid in principe net zo goed tiranniek zijn als een dictator. Zo was in het democratische Groot-Brittannië homoseksualiteit tot 1967 verboden.
Gelijke rechten? Niet helemaal. In een democratie krijgt de meerderheid haar zin. Er is dus een ongelijkheid in rechten: de meerderheid heeft meer rechten dan de minderheid. Het mag dan zo zijn dat die meerderheid steeds wisselt – de ene keer hoor je bij de meerderheid en de andere keer hoor je bij de minderheid – maar per beslissing is er een ongelijkheid in rechten. Zo zou het kunnen dat schoenmakers gesubsidieerd worden en fietsenmakers niet. Op die manier geven duizenden democratisch aangenomen wetten, regelingen, subsidies en uitkeringen bepaalde groepen speciale privileges. Hoewel democratie in principe de meerderheid meer rechten geeft dan de minderheid, zijn ironisch genoeg toch de meeste privileges voor minderheden. Dat komt doordat minderheden er vaak hard voor lobbyen om speciale privileges te krijgen. Maar of het nu de minderheid of de meerderheid is die meer rechten heeft, de uitkomst van de democratie blijkt te zijn dat niet iedereen dezelfde rechten heeft.
Zelfbestuur? De enige manier dat een volk zichzelf zou kunnen besturen is als alle 16 miljoen Nederlanders toevallig precies hetzelfde willen. Dat komt niet vaak voor. Dus is het in de praktijk zo dat de meerderheid het land bestuurt, zoals op dit moment het CDA, de VVD en D66 met 78 kamerzetels. Die drie partijen vertegenwoordigen 52 procent van de kiezers, 42 procent van de stemgerechtigden en 30 procent van de bevolking. Je kunt dus hoogstens zeggen dat 30 procent van het volk zichzelf regeert. Of dat 52 procent van de kiezers zichzelf mag regeren en 48 procent niet. Maar het regeerakkoord is een compromis tussen de programma’s van drie verschillende partijen. Dat compromis vertegenwoordigt geen enkele partij en geen enkele kiezer. Dus eigenlijk regeert 0 procent van het volk zichzelf.
Het mogen kiezen van je leiders? Ook dat is niet het geval. Stel dat u op D66 heeft gestemd bij de laatste verkiezingen. De uitkomst is dat u geleid wordt door een compromis tussen CDA, VVD en D66 en dus niet door D66 alleen, waar u voor koos. En als u bijvoorbeeld op de SP heeft gestemd, dan krijgt u helemaal niet wat u gekozen heeft. Democratie zou betekenen dat we onze eigen leiders mogen kiezen als mensen die op de VVD hebben gestemd door de VVD worden geregeerd, mensen die op het CDA hebben gestemd door het CDA worden geregeerd enzovoort. En je zou natuurlijk ook het recht moeten hebben jezelf als leider van jezelf te kiezen. In feite bestaan er in een democratie dan ook helemaal geen ‘kiezers’. Een keuze impliceert dat je mag kiezen wat je krijgt. Niet dat je een voorkeur mag uitspreken en vervolgens iets heel anders krijgt.
Tot slot: het verdedigen van de rechten van minderheden? De rechten van minderheden zijn in een democratie alleen veilig als de meerderheid dat toelaat. Een paar voorbeelden. Tabak is legaal maar wiet is illegaal, omdat de meerderheid dat middel afkeurt, terwijl regelmatig een sigaret paffen ongezonder is dan af en toe blowen. Motorrijden zonder helm is verboden, want dat vindt de meerderheid te gevaarlijk, maar de Mount Everest beklimmen, hetgeen veel gevaarlijker is, is toegestaan omdat mensen ontzag hebben voor avonturiers. Mensen die liever zelf willen sparen voor hun pensioen moeten toch AOW-premie betalen. De democratie duldt geen tegenspraak.
Conclusie: ironisch genoeg staan belangrijke democratische idealen juist op gespannen voet met de democratische praktijk. Je zou democratie zelfs kunnen bestempelen als de dictatuur van de meerderheid. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we de democratie maar meteen moeten afschaffen, maar het betekent wel dat democratische meerderheden niet zo arrogant moeten zijn om te denken dat hun besluiten per definitie goed zijn omdát ze democratisch zijn genomen. Een van de gevaarlijkste clichés van de democratie is wel dat de kiezer (lees: de meerderheid) altijd gelijk heeft.
Ondanks haar onvolmaaktheden heeft de democratie belangrijke voordelen ten opzichte van alternatieve regeringssystemen. Ten eerste zorgt ze dat de machthebbers hun macht proberen te behouden door verkiezingspropaganda in plaats van het uitmoorden van hun politieke tegenstanders. Ten tweede zorgt ze ervoor dat burgers op een vreedzame wijze hun regering kunnen veranderen. En ten derde zorgt democratie voor een vrij politiek debat en de mogelijkheid om slechte ideeën te bekritiseren en weg te stemmen. Maar dat laatste voordeel is tegelijkertijd het nadeel van de democratie, omdat de meerderheid ook vóór slechte ideeën kan stemmen. Laten we drie mogelijkheden bekijken die misschien de scherpe kantjes van de democratie zouden kunnen afhalen.
Minder democratie. Nederland kende in de negentiende eeuw het censuskiesrecht, wat inhield dat alleen mannen die minimaal een bepaalde hoeveelheid belasting betaalden, mochten stemmen. Dat was ongeveer tien procent van de bevolking. Zo gek was dat idee nog niet (behalve dat vrouwelijke belastingbetalers natuurlijk ook stemrecht zouden moeten hebben). Uitkeringstrekkers die zelf mogen meebeslissen over hoeveel geld ze van de belastingbetaler mogen afpakken, is net zoiets als een dief die rechter is in zijn eigen rechtszaak. Herman Heinsbroek pleitte dan ook voor het afschaffen van het stemrecht voor mensen met een uitkering (HP/De Tijd, 2 juli 2004). Ook publicist Paul Frentrop heeft gepleit voor de terugkeer naar een vorm van censuskiesrecht. Misschien is het ook een goed idee om het stemrecht van ambtenaren en politici af te schaffen. De belastingbetaler die ambtenaren en politici stemrecht geeft, is net zoiets als een werkgever die een werknemer de macht geeft om over zijn eigen salaris, budget, bevoegdheden en arbeidsvoorwaarden te beslissen.
Kortom: minder democratie, in de zin dat mensen die belasting aan de overheid betalen stemrecht hebben en mensen die hun inkomen ontvangen van de overheid niet, leidt waarschijnlijk tot een eerlijker besteding van het belastinggeld. Wie betaalt, bepaalt.
Minder centralisatie. Stel, men wil in Zwitserland een dam bouwen. Zou het dan logisch zijn dat Nederlanders daarover meebeslissen en daaraan via de belastingen meebetalen? Uiteraard niet. De Zwitsers hebben het recht daar zelf over te beslissen, en het is ook logisch dat ze zelf de kosten betalen. Waarom zou het dan wel logisch zijn dat bijvoorbeeld Zeeuwen meebeslissen en meebetalen aan snelwegen, woningbouw en gezondheidszorg van Groningers, en omgekeerd? Hoe groot moet het gebied zijn waarbinnen mensen over elkaar mogen meebeslissen? Zo groot als Nederland? Europa? De hele wereld?
Het zou misschien het beste zijn vrijwel alle politieke besluitvorming af te schaffen door bijna alles wat de overheid nu doet aan de vrije markt over te laten, maar zolang mensen daar ideologisch nog niet aan toe zijn, zou het zo lokaal mogelijk houden van de politieke besluitvorming een mogelijkheid kunnen zijn om de schade van de overheid zoveel mogelijk te beperken. Als de zeggenschap zo dicht mogelijk bij het individu ligt, hebben burgers meer invloed op dingen die hun aangaan, zullen beslissingen beter zijn afgestemd op lokale wensen en zijn politici beter en directer controleerbaar.
Een regel zou kunnen zijn: lokaal waar het kan, globaal waar het moet. Beslissingen die een individu zelf kan nemen, zoals hoe hij zich verzekert tegen arbeidsongeschiktheid, zouden aan het individu kunnen worden gelaten. Waarom zouden mensen immers het recht hebben mee te beslissen over de keuzes van anderen? Beslissingen die niet op individueel niveau genomen kunnen worden, zoals of er een kinderspeelplaats in de buurt komt, zouden door de wijkbewoners kunnen worden genomen en betaald. Of er een ringweg om een stad heen komt, zou op gemeenteniveau besloten en via gemeentelijke wegenbelastingen of tol betaald kunnen worden. Een natuurgebied zou onder de provincie vallen. En het leger, bijvoorbeeld, zou landelijk bestuurd en betaald worden.
Dat een soortgelijk systeem goed werkt, valt in de praktijk te zien aan Zwitserland, een van de meest welvarende landen ter wereld. In Zwitserland heeft de federale overheid weinig macht. Daarentegen hebben de 26 kantons relatief veel bevoegdheden, terwijl de grootste macht ligt bij de 2914 afzonderlijke gemeenten. Elk van deze bestuursniveaus heft ongeveer een derde van de totale belastingen. En Zwitserland is geen lid van de EU. Dit politieke systeem functioneert beter en is efficiënter dan dat van omringende landen waar meer centralisatie is. Wellicht speelt ook de mate van directe democratie een rol bij het succes van Zwitserland. Per jaar zijn er gemiddeld een stuk of tien nationale referenda en volksinitiatieven. Als het parlement een wet aanneemt, zijn er slechts 50.000 handtekeningen van tegenstanders nodig (ongeveer één procent van de stemgerechtigden) voor een volksraadpleging. En afhankelijk van waar men woont, kunnen Zwitsers bovendien stemmen over een nog groter aantal kantonale en gemeentelijke besluiten. In verschillende steden zijn experimenten gedaan met het stemmen via internet en sms.
Minder overheid. Je zou kunnen zeggen dat democratie gebaseerd is op de misvatting dat we allemaal hetzelfde moeten doen, waardoor ofwel steeds een minderheid ontevreden is, ofwel in het geval van een compromis niemand zijn zin krijgt. De gedachte is dat er nu eenmaal besloten moet worden over onze gezondheidszorg, ons onderwijs, onze sociale uitkeringen, onze economie enzovoort. Dus moeten we die zaken via de democratie beslissen. Blijkbaar gaan we ervan uit dat we allemaal hetzelfde moeten doen. Maar waarom? Als 51 procent van de bevolking gezondheidszorgstelsel A wil en 49 procent wil gezondheidszorgstelsel B, waarom moet iedereen dan verplicht worden tot A? De eerste groep kan toch gewoon systeem A opzetten, terwijl de rest systeem B opzet? (Binnen het nieuwe zorgstelsel mag je wel kiezen waar je je verzekert en naar welke arts je gaat, maar mensen mogen geen alternatief zorgstelsel met andere regels opzetten.) Het idee dat iedereen dezelfde soort gezondheidszorg moet kopen, is even absurd als het idee dat iedereen bij Albert Heijn boodschappen moet doen omdat de meerderheid dat wil.
Een mogelijke oplossing van de chronische ontevredenheid van de kiezer is om kiezers écht te laten kiezen wat ze willen, zodat hun keuze 100 procent van de uitslag bepaalt, in plaats van ze de schijnkeuze van het stemmen te geven, waarbij hun keuze een tienmiljoenste van de uitslag bepaalt. Zo lastig is dat niet, want we hebben al een universeel systeem dat zorgt dat iedereen zelf kan kiezen wat hij koopt: de vrije markt. Als de overheid op zou houden van alles voor ons te regelen, dan zou iedereen op de vrije markt die gezondheidszorg, onderwijs, sociale verzekeringen, et cetera kunnen kopen die hij wil. Wij lachen erom dat de communistische Russen allemaal in dezelfde Lada reden. Maar is het niet even idioot dat wij allemaal hetzelfde zorgstelsel hebben?
Hier zou je tegenin kunnen brengen dat de overheid de armen helpt met allerlei gesubsidieerde overheidsdiensten. Maar volgens onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau komt 67 procent van het profijt van de belangrijkste overheidsvoorzieningen en -subsidies bij de rijkste 50 procent van de bevolking terecht (bron: Profijt van de Overheid III, 1994). Misschien is zowel arm als rijk beter af met drastisch lagere belastingen, volledige keuzevrijheid en de efficiëntie van de markt.
Onlangs werd bekend dat een aantal medisch specialisten via een nieuw commercieel bedrijf zijn diensten aanbiedt buiten de reguliere zorg om. De reactie van Agnes Kant van de SP: "Als deze specialisten tijd overhebben en meer willen werken, waarom doen ze dat dan niet in de reguliere zorg?" Een betere vraag zou zijn: als het door de overheid gereguleerde stelsel zo slecht werkt dat er privéklinieken nodig zijn om mensen de zorg te geven die ze willen, waarom dan niet het gereguleerde stelsel afschaffen?
De markt is gebaseerd op vrij ondernemerschap, vrije initiatieven, vrije keuze, diversiteit, concurrentie en flexibiliteit, terwijl de overheid is gebaseerd op uniformiteit. Daarom bieden de vrijwillige verbanden van de markt vaak meer mogelijkheden om problemen op te lossen dan de wettelijke dwang van de overheid. De markt is niet perfect, maar dat hoeft ook niet zolang hij beter werkt dan als de overheid het regelt. De markt is niet perfect omdat de markt uit mensen bestaat, en mensen zijn nu eenmaal niet perfect. Zo was de liberalisering van taxi’s in eerste instantie geen succes, en stegen de prijzen tussen 1999 en 2003 met maar liefst 25 procent. Dat kwam voornamelijk doordat consumenten niet gewend waren kritisch op de prijs te letten, zodat taxibedrijven konden rekenen wat ze wilden. Daarnaast is het probleem dat klanten bij door de overheid gemaakte opstapplekken vaak alleen in de voorste taxi kunnen stappen, zodat die wederom kan rekenen wat hij wil. Maar omdat de consument prijsbewuster wordt, ontstaan er nieuwe initiatieven die inspelen op de behoefte aan een goedkope taxi. Zo rekent vrijetaximarkt.nl slechts 1 euro per kilometer (met een minimum van 5 euro). Wat het contractvervoer betreft (van bijvoorbeeld gehandicapten, scholieren en vips) was de liberalisering overigens direct een doorslaand succes: de prijzen daalden gemiddeld bijna 50 procent.
Als argument tegen het bijvoorbeeld zelf mogen kiezen van je energieleverancier wordt soms gegeven dat mensen geen behoefte hebben aan die keuzemogelijkheid, aangezien slechts 8 procent van de consumenten van de mogelijkheid om van energieleverancier te veranderen gebruik heeft gemaakt. Maar dat is evenmin een argument om die keuzevrijheid te beperken als het feit dat slechts 5 procent van de Nederlanders homoseksueel is een argument is om heteroseksualiteit verplicht te stellen. Het feit dat de grote meerderheid geen behoefte heeft aan een bepaalde keuzemogelijkheid is geen reden om de minderheid die keuzemogelijkheid te ontnemen. Een fundamenteel verschil tussen een overheidsoplossing en een vrijemarktoplossing is dat een individu zich niet kan onttrekken aan de dienstverlening van de overheid als hij ontevreden is, terwijl hij op de vrije markt wel kan overstappen naar een andere leverancier.
Een alternatief voor het privatiseren en dereguleren van overheidsdiensten is wat de Vlaamse publicist Paul Belien ‘institutionele secessie’ noemt. Dat wil zeggen dat elke burger zelf mag kiezen of hij wel of niet meedoet met bepaalde overheidssystemen. Mensen die vertrouwen hebben in het nieuwe zorgstelsel zouden daaraan mee kunnen doen, en mensen die er geen vertrouwen in hebben zouden zelf op de vrije markt hun gezondheidszorg en/of ziekteverzekering mogen regelen en zouden geen belasting hoeven te betalen voor het overheidszorgstelsel. Mensen die geen vertrouwen meer hebben in de bescherming van de overheid, zouden mogen kiezen om geen belasting meer te betalen voor de politie en in plaats daarvan een abonnement kunnen nemen op een lokale particuliere wijkbescherming. Mensen zouden zelf kunnen kiezen of ze in een ongereguleerde taxi willen stappen of in een taxi waarop duidelijk staat aangegeven dat hij zich houdt aan de standaardtarieven en regels van de overheid. Waarom niet de overheid zelf onderwerpen aan de tucht van de markt? Als de overheid niet voor goed onderwijs, goede zorg en veiligheid kan zorgen, waarom dan burgers niet het recht geven die dingen zelf te regelen? Zou dat niet de meest democratische vorm van democratie zijn?
Misschien ligt een deel van de oplossing van ons huidige overheidsfalen in een demythologisering van de democratie. Zodat we weer beseffen dat niet democratie maar vrijheid het hoogste ideaal is. Maar er is ook een prettige paradox: we kunnen onze falende democratie gebruiken om dat te bereiken, door op partijen te stemmen, of partijen op te richten, die de macht willen teruggeven aan de burger.
Terug naar Henry Sturmans homepage
Email: henry@sturman.net